Naar boven ↑

Rechtspraak

Vincent Pierre Oberle/Duitsland
Hof van Justitie van de Europese Unie, 21 juni 2018
ECLI:EU:C:2018:485
Met annotatie door mr. G.A. Tuinstra

Europese erfrechtverordening. Bevoegdheid tot afgifte nationale erfrechtverklaring in internationale nalatenschap.

Vader Oberle overlijdt in november 2015, zonder testament en met achterlating van twee zonen als enige erfgenamen. Vader heeft de Franse nationaliteit en zijn gewone verblijfplaats in Frankrijk. De nalatenschap bevindt zich in Frankrijk en Duitsland.

Zoon Vincent verkrijgt in Frankrijk een nationale erfrechtverklaring. Als hij ook in Duitsland een nationale erfrechtverklaring verzoekt, verklaart het Amtsgericht Schöneberg zich onbevoegd, onder meer op basis van artikel 4 Erfrechtverordening (ErfVo). Hierin is bepaald dat het gerecht van de lidstaat waar erflater bij overlijden zijn gewone verblijfplaats had, bevoegd is om uitspraak te doen over de erfopvolging in haar geheel.

In hoger beroep vraagt het Kammergericht Berlin zich af of artikel 4 ErfVo van toepassing is op de afgifte van de nationale erfrechtverklaring en legt deze vraag voor aan het HvJ EU. Dat beantwoordt de vraag bevestigend.

Het HvJ EU kijkt hiervoor naar de bewoordingen en de context van artikel 4 ErfVO, maar hecht met name aan de doelstellingen van de verordening, waaronder de harmonisatie van internationale bevoegdheidsregels, zowel voor contentieuze als niet-contentieuze procedures.

De uitleg van artikel 4 ErfVo dat deze bepaling de internationale bevoegdheid omschrijft van de gerechten van de lidstaten voor de procedures van afgifte van nationale erfrechtverklaringen draagt er, in het belang van een goede rechtsbedeling, toe bij dat deze doelstelling wordt verwezenlijkt, door het risico te beperken dat parallelle procedures voor gerechten van verschillende lidstaten worden gevoerd en daaruit tegenstrijdige uitspraken voortkomen, aldus het HvJ EU.