Naar boven ↑

Rechtspraak

Met annotatie door prof. mr. dr. F.W.J.M. Schols

Fideïcommissaire erfstelling en schenkingsverbod.

Erflaters laatste testament dateert van 2012. Het bevat een fideïcommissaire erfstelling (tweetrapserfstelling) met zijn (tweede) echtgenote als bezwaarde en (schoon)kinderen als verwachters. Aan de bezwaarde is de bevoegdheid tot vervreemden en verteren toegekend. Over de (on)mogelijkheid van schenken zwijgt het testament.

Na het overlijden van de echtgenote rijst de vraag of zij bevoegd was tot schenkingen uit het bezwaarde vermogen, anders dan de gebruikelijke kleine schenkingen. Het hof concludeert van niet, vooralsnog.

Bij de uitleg van het testament (art. 4:46 lid 1 BW) gaat het hof er vooralsnog van uit dat de notaris die het testament opstelde, uitging van de toepasselijkheid van artikel 4:138 lid 2 BW, dat leidt tot overeenkomstige toepassing van artikel 3:215 lid 3 BW. Uit deze bepalingen volgt dat de bezwaarde niet bevoegd is tot schenken, zodat de notaris niet nog eens expliciet een schenkingsverbod in het testament hoefde op te nemen (anders dan voor 2003, art. 4:1036 oud BW).

Het feit dat in een concepttestament uit 2005 wel expliciet een schenkingsverbod was opgenomen, werpt geen ander licht op de zaak. In dat concept was geen fideïcommissaire erfstelling opgenomen, maar een fideïcommissair legaat. Het expliciete verbod in 2005 kan volgens het hof zeer goed als reden hebben dat de overeenkomstige toepassing van artikel 3:215 lid 3 BW alleen geldt voor een fideïcommissaire erfstelling en niet voor een fideïcommissair legaat (art. 4:138 lid 2 BW).

De begiftigden krijgen de gelegenheid om tegenbewijs te leveren.