Annotaties ERF 2014-0069

F.W.J.M. Schols | 23-07-2015

Annotatie bij HR 9 mei 2014 ECLI:NL:HR:2014:1079 en bij Rb. Rotterdam 8 april 2015 ECLI:NL:RBROT:2015:2465


Download pdf

Lees ook de rechtspraak: Hoge Raad 09-05-2014


Annotatie bij HR 9 mei 2014 ECLI:NL:HR:2014:1079 en bij Rb. Rotterdam 8 april 2015 ECLI:NL:RBROT:2015:2465

Twee Portugese zaken, te weten Rechtbank Rotterdam 8 april 2015 ECLI:NL:RBROT:2015:2465 en Hoge Raad 9 mei 2014 ECLI:NL:HR:2014:1079, zijn technisch niet zo spectaculair maar geven wel goed weer waar de problemen zitten in internationale erfrechtzaken. Ten eerste blijkt dat afstemming tussen testamenten op te maken in meerdere landen van cruciaal belang is. Met de komst van de Erfrechtverordening per 17 augustus 2015 lijkt het er op dat – in een situatie dat er betreffende een vererving slechts aanknopingspunten bestaan met aan de Erfrechtverordening deelnemende EU-landen – het (nog) minder noodzakelijk is om in dat andere EU-land een aanvullend testament te maken. De deelnemende EU-landen zijn immers gebonden aan het erfrecht dat op basis van de objectieve verwijzingsregel van artikel 21 Erfrechtverordening van toepassing is of aan het erfrecht dat op basis van de rechtskeuze van artikel 22 Erfrechtverordening de erfopvolging beheerst. Of het testament nu in het ene of het andere land is gemaakt, maakt derhalve niet uit. Het vraagstuk of het testament in de juiste vorm is opgemaakt, is overigens een vraag die door Nederland beantwoord moet worden aan de hand van het Haags Testamentvormenverdrag 1961 en voor de deelnemende EU-landen die geen partij zijn bij dit verdrag met artikel 27 Erfrechtverordening. In voorkomende gevallen kan een aanvullend testament toch gewenst zijn, bijvoorbeeld omdat een functionaris in het buitenland een ‘herkenbare’ erfrechtelijke regeling gemakkelijker administratief verwerkt. Maar voorzichtigheid is dan wel geboden, zo blijkt. Net als in Nederland, is men immers ook in het buitenland gewoon om een testament te beginnen met een herroepingsclausule. Een testament dat aanvullend bedoeld is, blijkt dan door de herroepingsclausule het enige testament te zijn. In de onderhavig casus redt de Hoge Raad de zaak, maar voorkomen, door een goede afstemming, is beter dan genezen. Ten tweede blijkt dat de problematiek betreffende de internationale vererving in de praktijk vaak een kwestie betreffende de legitieme is, of ruimer, een kwestie van dwingend erfrecht dat vat krijgt op het testament van erflater dat niet te verenigen is met zijn erfrechtelijke wensen. De rechtbank moest beslissen of er Nederlands of Portugees erfrecht van toepassing was. En de beide erfrechtelijke systemen verschillen enorm. Want in Nederland kennen we een legitieme in geld die met artikel 4:82 BW uitgesteld opeisbaar te maken is ten behoeve van langstlevende echtgenoten/geregistreerde partners en ‘andere levensgezellen’. En hoe zit het in Portugal? De rechtbank in r.o. 4.2.4: ‘Uit meergenoemd rapport van het IJI blijkt voorts dat naar Portugees recht een erflater, die een echtgenoot en kinderen achterlaat, niet vrijelijk mag beschikken over 2/3e gedeelte van de nalatenschap. Dat deel, de zogenaamde legitieme portie, vererft altijd volgens de ab intestaat regels. Dat brengt met zich mee dat eisers ieder recht hebben op 1/3e van 2/3e is 2/9e gedeelte van de nalatenschap. Volgens het rapport brengt dit niet slechts een vorderingsrecht met zich mee, maar een echt erfrecht en dus een goederenrechtelijke aanspraak, die direct opeisbaar is.’ De crux is ook hier derhalve de legitieme. Vanuit de Nederlandse optiek had een rechtskeuze op basis van artikel 5 van het Haags Erfrechtverdrag 1989 voor Nederlands recht de langstlevende in een zeer comfortabele erfrechtelijke positie gebracht. Zou het overlijden plaatsgevonden hebben na 17 augustus 2015 dan zou ook Portugal gebonden zijn aan een rechtskeuze voor Nederlands recht, gelet op de Nederlandse nationaliteit van erflater (art. 22 Erfrechtverordening). Rechtbank Rotterdam vond evenwel dat geen sprake was van een rechtskeuze, blijkbaar ook niet van een stilzwijgende rechtskeuze. Over de stilzwijgende rechtskeuze onder het Haags Erfrechtverdrag zie F.W.J.M. Schols in Asser/Vonken 10-II 2012/427 en F.W.J.M. Schols in WPNR 2014/7024.